
Jurisprudentie
BA3035
Datum uitspraak2007-05-04
Datum gepubliceerd2007-05-04
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR07/062HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-05-04
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR07/062HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bopz, machtiging tot voortgezet verblijf; afgewezen verzoek van raadsman van de betrokkene te mogen reageren op een verklaring van behandelaar ter zitting (art. 8 lid 9 Wet Bopz), schending van beginsel van hoor en wederhoor.
Conclusie anoniem
R07/062HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 13 april 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Arnhem
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over een schending van het beginsel van hoor- en wederhoor.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Op 26 januari 2007 heeft de officier van justitie in het arrondissement te Arnhem de rechtbank aldaar verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te verlenen. Bij het verzoekschrift was onder meer gevoegd een geneeskundige verklaring, op 25 januari 2007 opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 3], "voor deze i.v.m. ziekte" ondertekend door de geneesheer-directeur [betrokkene 2].
1.2. Op 15 februari 2007 heeft het verhoor plaatsgevonden in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsman en, namens de behandelaar, de psycholoog [betrokkene 1]. Blijkens het proces-verbaal is eerst het woord gegeven aan betrokkene zelf, die het verzoek van de officier van justitie op inhoudelijke gronden heeft bestreden. Na een toelichting van [betrokkene 1] over de stoornis, het gevaar en de noodzaak van behandeling, heeft betrokkene in zijn standpunt volhard. Vervolgens heeft de raadsman van betrokkene het woord gekregen, die stelde dat het dossier is gebaseerd op gegevens uit het verleden en dat hij zich afvroeg waarop de stelling is gebaseerd dat er nu nog sprake is van gevaar.
1.3. [Betrokkene 1] heeft verwezen naar de geneeskundige verklaring en enige aanvullende informatie gegeven. Vervolgens heeft de raadsman wederom het woord gekregen en de vraag aan de orde gesteld of [betrokkene 3] betrokkene wel heeft onderzocht ten behoeve van de geneeskundige verklaring: "als dat niet zo is, vraag ik me af of een eventuele rechterlijke machtiging wel rechtmatig wordt afgegeven". Verder heeft hij betoogd dat het gevaar niet actueel is en aan de rechtbank verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen.
1.4. Vervolgens heeft [betrokkene 1] verklaard:
"Betrokkene heeft veel angsten. Onder invloed van behandeling is er minder bedreiging. Ik verwacht niet dat hij wegloopt, maar wel dat hij zich onttrekt aan behandeling. De aanvraag voor de rechterlijke machtiging is gedaan door [betrokkene 4], arts-assistent en de geneeskundige verklaring is opgemaakt door [betrokkene 3], psychiater. Hij heeft betrokkene ook onderzocht. Het gaat nu inderdaad beter met betrokkene. Dat zijn de vruchten die van de rechterlijke machtiging kunnen worden geplukt, zo blijkt uit de afgelopen twee maanden. De advocaat kan daar nu gebruik van maken."
De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal verzocht daarop te mogen reageren. De rechter antwoordde: "Nee. U heeft uw tweede termijn al gehad. Ik ga nu uitspraak doen".
1.5. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van een jaar.
1.6. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dit mede tot uitdrukking komt in art. 8 lid 9 Wet Bopz, niet in acht heeft genomen doordat de rechtbank betrokkene en zijn raadsman niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van de door de behandelaar als laatste gemaakte, in alinea 1.4 hiervoor geciteerde, opmerkingen.
2.2. De regel van hoor en wederhoor is neergelegd in art. 19 Rv. In het negende lid van art. 8, in verbinding met art. 17 lid 2, Wet Bopz, is dienovereenkomstig bepaald dat de betrokkene of zijn raadsman in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van mededelingen en verklaringen van de personen, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid van art. 8; daartoe behoort de instelling of psychiater die de betrokkene behandelt of begeleidt. Niet-nakoming van deze regel is eerder aanleiding geweest tot vernietiging van een Bopz-beschikking(1). Van het recht op een reactie kan afstand worden gedaan. Daarvan is in deze zaak geen sprake: de raadsman heeft uitdrukkelijk verzocht te mogen reageren.
2.3. Het beginsel van hoor en wederhoor vindt zijn grens daar waar het debat een keer tot een einde moet komen(2). De in het proces-verbaal gegeven motivering voor de weigering, te weten dat de raadsman al twee keer aan het woord was geweest, doet vermoeden dat de rechtbank het nu welletjes vond en van oordeel was dat betrokkene en zijn raadsman voldoende gelegenheid hadden gehad om het standpunt van betrokkene naar voren te brengen en zich uit te spreken over de inlichtingen die [betrokkene 1] ter zitting had gegeven. Het is waar, dat wanneer het partijdebat ontaardt in een herhaling van zetten, de voorzittende rechter de bevoegdheid heeft de mondelinge behandeling te sluiten. Toch kan deze bevoegdheid de bestreden beslissing niet verklaren.
2.4. Zowel het verweer m.b.t. de opsteller van de geneeskundige verklaring als het verweer m.b.t. het al of niet bestaan van `gevaar' (in de zin van art. 15 lid 2 Wet Bopz) was aan te merken als een essentieel verweer in die zin dat het verweer, indien gegrond bevonden, in de weg stond aan toewijzing van het verzoek van de officier van justitie. De rechtbank heeft het eerstgenoemde verweer verworpen met de volgende motivering:
"(...) nu de behandelaar ter zitting heeft aangegeven dat de geneeskundige verklaring daadwerkelijk is afgegeven door [betrokkene 3] en dat ook hij het onderzoek heeft gedaan. Ook uit de verklaring zelf blijkt genoegzaam dat [betrokkene 3] betrokkene zelf heeft onderzocht. Er bestaat daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling in de geneeskundige verklaring dat [betrokkene 3] vanwege ziekte verhinderd was de geneeskundige verklaring mede te ondertekenen."
Hieruit volgt m.i. dat de rechtbank de verwerping van een essentieel verweer in belangrijke mate heeft gebaseerd op de in alinea 1.4 hiervoor geciteerde verklaring van [betrokkene 1] ter zitting (en niet uitsluitend op de gedingstukken of op hetgeen eerder ter zitting aan de orde was geweest en waarover betrokkene en zijn raadsman zich wel hebben kunnen uitspreken). Over de in alinea 1.4 geciteerde verklaring heeft betrokkene noch zijn raadsman zich mogen uitspreken. Dit voert tot de slotsom dat de rechtbank deze verklaring niet aan haar beslissing ten grondslag had mogen leggen. Om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Arnhem.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie bijv. HR 20 januari 1995, NJ 1995, 305; HR 16 april 1999, NJ 1999, 432; HR 5 november 1999, NJ 2000, 64; HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599. Zie ook: De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 5.1 op art. 8 (W. Dijkers).
2 Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 1 en 5 op art. 19 (E.M. Wesseling-van Gent).
Uitspraak
4 mei 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/062HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis de Stichting GGz Nijmegen
te Nijmegen,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ARNHEM,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Arnhem heeft bij verzoekschrift van 26 januari 2007 de rechtbank Arnhem verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis.
De rechtbank heeft ter zitting van 15 februari 2007 betrokkene, die werd bijgestaan door zijn raadsman, en de psycholoog [betrokkene 1] als (waarnemer van de) behandelaar van betrokkene gehoord.
Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van een jaar.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Arnhem.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Bij het hiervoor in 1 vermelde verzoekschrift heeft de officier van justitie een geneeskundige verklaring van 25 januari 2007 overgelegd, welke is ondertekend door [betrokkene 2] als geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis, waarin de betrokkene verbleef. Die verklaring is niet (mede) ondertekend door de behandelend psychiater van betrokkene, [betrokkene 3]. Op de voor diens handtekening bestemde plaats staat met de hand geschreven: "voor deze i.v.m. ziekte".
3.2 Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting van 15 februari 2007 en de bestreden beschikking blijkt dat ter zitting het volgende is voorgevallen. Nadat betrokkene was gehoord en de waarnemer van zijn behandelaar, [betrokkene 1], had toegelicht dat het gevaar dreigde dat betrokkene zou terugvallen in teloorgang, heeft de raadsman opgemerkt dat het dossier was gebaseerd op gegevens uit het verleden en de vraag gesteld waarop was gebaseerd dat er nu sprake is van gevaar. Daarop heeft [betrokkene 1] geantwoord dat hij zich baseerde op de geneeskundige verklaring en afgenomen heteroanamneses, verklaringen van de familie en de medische dossiers. Vervolgens heeft de raadsman de rechtbank verzocht het inleidende verzoek af te wijzen op de grond dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de behandelend psychiater [betrokkene 3] en onduidelijk is of betrokkene ten behoeve van die verklaring wel door hem is onderzocht. De raadsman concludeerde dat het gevaar bij betrokkene niet meer actueel was. Daarna heeft [betrokkene 1] verklaard:
"Betrokkene heeft veel angsten. Onder invloed van behandeling is er minder bedreiging. Ik verwacht niet dat hij wegloopt, maar wel dat hij zich onttrekt aan behandeling. De aanvraag voor de rechterlijke machtiging is gedaan door [betrokkene 4], arts-assistent en de geneeskundige verklaring is opgemaakt door [betrokkene 3], psychiater. Hij heeft betrokkene ook onderzocht. Het gaat nu inderdaad beter met betrokkene. Dat zijn de vruchten die van de rechterlijke machtiging kunnen worden geplukt, zo blijkt uit de afgelopen twee maanden. De advocaat kan daar nu gebruik van maken."
Op het verzoek van de raadsman om hierop nog te mogen reageren, antwoordde de rechter:
"Nee. U heeft uw tweede termijn al gehad. Ik ga nu uitspraak doen. Gelet op de processtukken en de toelichting van de behandelaar acht ik een psychiatrische stoornis aanwezig. Het gevaar dreigt dat betrokkene zonder rechterlijke machtiging zijn medicatie zal stoppen en zich dan weer zal verwaarlozen. Ik ben ervan overtuigd dat [betrokkene 3] betrokkene heeft onderzocht en de geneeskundige verklaring heeft opgemaakt, dat blijkt genoegzaam uit de geneeskundige verklaring zelf. Mijn beslissing is dat de voortzetting van het verblijf moet worden verleend voor de duur van een jaar."
In de bestreden beschikking is deze beslissing door de rechtbank nader gemotiveerd. Voorzover hier van belang, overwoog zij naar aanleiding van het verweer van de raadsman:
"De rechtbank ziet geen reden voor afwijzing van het verzoek, nu de behandelaar ter zitting heeft aangegeven dat de geneeskundige verklaring daadwerkelijk is afgegeven door [betrokkene 3] en dat ook hij het onderzoek heeft gedaan. Ook uit de verklaring zelf blijkt genoegzaam dat [betrokkene 3] betrokkene zelf heeft onderzocht.
Er bestaat daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling in de geneeskundige verklaring dat [betrokkene 3] vanwege ziekte verhinderd was de geneeskundige verklaring mede te ondertekenen. Om die reden is de geneeskundige verklaring alleen ondertekend door de geneesheer-directeur, [betrokkene 2]."
3.3 Aldus heeft de rechtbank haar beslissing mede gebaseerd op de hiervoor in 3.2 geciteerde mededelingen van [betrokkene 1] die betrekking hadden op de door betrokkene betwiste geldigheid van de in art. 16 lid 1 Wet Bopz genoemde geneeskundige verklaring en daarom voor de te nemen beslissing van wezenlijk belang waren.
Het middel klaagt dat de rechtbank het, mede in art. 8 lid 9 Wet Bopz tot uitdrukking gebrachte, beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op basis van die mededelingen te beslissen zonder eerst, zoals zij niet alleen op grond van dat beginsel maar ook op grond van art. 17 lid 2 in verbinding met art. 8 lid 9 Wet Bopz had behoren te doen, de raadsman van betrokkene - overeenkomstig zijn uitdrukkelijk verzoek - in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van die mededelingen.
Nu uit de beschikking en de overige gedingstukken niet blijkt dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die rechtvaardigden dat daarvan werd afgezien, slaagt het middel.
3.4 Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat het middel voor het overige geen behandeling behoeft.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 15 februari 2007;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A. Hammerstein, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 mei 2007.

